Luctor… zwaar op de hand

Een fan van kerstmis zal ik misschien wel nooit meer worden. Maar dat hoeft ook niet. Wel heb ik een fijne dag gehad. Gezellig met familie en hond, kaarsjes en eten. Vanmiddag heb ik mijn huis lopen opruimen. Toen ik net weer thuis kwam, werd ik warm welkom geheten door een heerlijk overzichtelijk, strak huishouden. De aanblik van een leeg bureau (dat wil zeggen, een bureau zonder troep maar met spulletjes) is bijna net zo lekker als het ijs dat ik vanavond at. En een salontafel zonder chaos laat zich goed vergelijken met het genot van een glaasje Baileys.
 
Ik heb net een goed voornemen aan mijn lijstje voor komend jaar toegevoegd: ‘k moest maar eens wat minder zwaar op de hand worden. En het kan sowieso geen kwaad om wat luchtiger in het leven te gaan staan. Het is een talent, dat weet ik, maar niet altijd zo prettig: van het kleinste ongenoegen kan ik een tragedie maken. Als kind al kon ik hartstochtelijk grienen om een zielig verhaaltje dat ik zelf verzonnen had. Een verhaaltje over mijn knuffelaap, zijn paps en de erfenis van zijn paps. Misschien probeerde ik me gewoon een beetje voor te bereiden. Enfin, dat soort overwegingen moesten maar eens sneuvelen, komend jaar. Salut!

Natte kerst

Ik kijk naar buiten, druppels glijden naar beneden. Geen witte kerst dit jaar. Het vriest niet eens. Hier binnen plenst het. Kerstgemis is niet favoriet. Een fraai opgetuigde boom, een mooi gedekte tafel, zoete kransjes en zacht kaarslicht: een pleister op de wonden. Op geen dag in het jaar is het contrast tussen het gepolijste en het wrange scherper.
 
Als het straks middernacht is geworden op de laatste dag van het jaar, dan zal ik tevreden terugkijken. Het was een mooi jaar. Maar wat de weerman ook bewere, ik zag nog nooit zoveel druppels als dit jaar. Van groot geluk naar lagedrukgebied is niet zo’n reuzensprong. Een fijn laagje rijp op een ochtendblad; teer, frêle: geluk laat zich helaas niet vasthouden.

Sleutel

Er ligt een sleutel op mijn bureau. Die sleutel ligt er al weken, onderhand zelfs al maanden. Het is de sleutel van mijn voordeur. Een kopie daarvan althans. Ooit verkeerde die sleutel in betere kringen, werd hij regelmatig gezien in de aanwezigheid van een knappe jonge vrouw. Als je goed naar de sleutel kijkt, zie je nog iets van die oude glans. Nu ligt hij te verkommeren. Ik moet nog steeds een keer besluiten de sleutel ergens te verstoppen. Als reservesleutel. Zie je, ik vergeet nog weleens mijn sleutels mee te nemen. Dan is het prettig te weten dat er ergens onder een stoeptegel nog een sleutel tot je huis steekt.
 
Misschien moet ik ook een extra exemplaar laten maken van de sleutel tot mijn hart. Dat klinkt wat sentimenteel en ik geloof ook niet dat de metafoor veel andere waarde heeft. Ik vraag me af of het zin heeft om zo’n sleutel dan ergens te verstoppen. Er zijn wel van die dagen dat ik het idee heb dat het kleine voordeurtje van mijn hart in het slot is gevallen, zonder dat ik eerst de sleutel ertoe in mijn zak gestoken heb. Dan is het handig om onder een straatsteen te kunnen tasten en je redding te vinden.
 
Het is fijn om onzeker te zijn over wat er met je sleutel gebeurt. Toen mijn voordeursleutel nog door zachte handen werd gedragen, was elke rentree die ik in mijn huisje maakte een klein feest. Met de deurknop in mijn hand fantaseerde ik dan over de mogelijkheid dat een dierbare schim door mijn huis had gewaard en iets had veranderd. In gedachten genoot ik dan. Ook als ik daarna niets veranderd vond, was alleen het idee dat er dan misschien een andere keer iets verschoven zou kunnen zijn al genoeg om me gelukkig te voelen.
 
Nu de sleutel zo op mijn bureau ligt, volgt op elke terugkeer naar mijn huis een desillusie: nog voor ik de deurknop vastpak heb ik onbewust al afgerekend met het zoete waanbeeld van de dierbare schim. Vaak denk ik niet eens meer na over de mogelijkheid, maar voel ik alleen nog een onbestemde leegte. Zo driftig als een mens op zoek is naar zekerheden, zozeer haat hij die zekerheden die hem tegen de zin in ten deel gevallen zijn.

Lucht

Het gaat niet goed met me. Mijn buik maakt rare geluiden. Toen ik bij het raam stond, voelde ik dat iets verkeerds deed. Veel ruimte om me nog te bedenken had ik niet. Het was de zondeval of de achteruit. Ik heb nog nooit iemand van de praatpaal van de McDo achteruit zien wegrijden, dus ik voelde mij genoodzaakt te comformeren aan wat de maatschappij van me verwachtte. Ik bestelde dus een happymeal. Mijn maag kan kennelijk niet zo goed tegen vet eten. Nu borrelt het daar beneden. Dat kan ook komen doordat ik uitermate ontevreden ben met het cadeautje dat ik in de doos van Donald aantrof. Een raceautootje met lichteffect! Dat wilde ik helemaal niet. Ik kwam daar speciaal voor Roddy de muis. Sid heb ik al, twee keer zelfs, ik wil de muis in het pak!
 
Overigens was ik net in de bios. Vandaar ook mijn bezoekje aan de McDo na afloop. Dat is zo’n slechte gewoonte waar je niet mee moet breken als je leven je lief is. Gewoontes geef je niet op, gewoontes koester je. Eer die regel en het leven lacht je toe, schend hem en vroeg of laat zal de gewoonte zich tegen je keren en je te gronde richten. Enfin, ik was naar de film met de andere man in pak: James. Tegen mijn verwachting in heb ik erg genoten van de film. Zoveel mannelijkheid in twee uur! Bijna niet te verdragen. Onderweg terug naar mijn auto oefende ik: "De Wit, Michiel de Wit". Ik voelde me klein toen ik het zei en nu ik het herhaal voel me nog nietiger. Wie mij ziet, ziet geen Bond, hij ziet een kleine ondeugd die nooit tegen meer dan zijn tranen heeft gevochten.
 
Enfin, er is weer een dag voorbij. Ik ga zinnen op iets wat ik kan doen om weer een beetje blij te worden. Misschien zing ik zo onder de douche een liedje voor mezelf of dans ik nog even door de kamer. Misschien lucht dat op…

Twee keer

Er zijn van die dagen dat ‘morgen’ een schitterend geschenk lijkt en ‘nu’ een lelijk prul. Op zulke dagen ben je ondankbaar en ben je verontwaardigd omdat dat je rotzooi gekregen hebt en niet iets moois. Buiten mist het. Wie mist mij? Wat mis ik? Ik ben ontevreden, maar ik zou niet weten met wat. Mijn raamkozijnen zijn blauw. Afschuwelijk blauw. Toch zou ik blij moeten zijn dat ik ze heb. Zo lelijk en zo blauw als ze zijn, ze helpen samen met het glas de kou en het grauw buiten te houden. Maar ik ben er niet blij mee. Ik ben een verwend nest. Het is logisch dat men mij prullen geeft. Dat zal me leren.
 
Ik heb net naar een film zitten kijken die ik van Marcel mocht lenen. Marcel is mijn buurman. De film heette ‘Crash’. Over verontwaardiging, over vooroordelen, over rassenhaat ging hij. Geen vrolijke film. Ik zou niet naar dat soort films moeten kijken. Of dan toch in ieder geval niet alleen. Het maakt me doodsomber. Vermoeidheid en bier zullen ook wel een rol spelen in die tragedie.
 
Vanmiddag heb ik de hele middag zitten blokken. Gisteren heb ik trouwens mijn héle dag verziekt met hetzelfde karwei. Studie vereiste het maken van een prul. Een prul van een programma. Niemand zal het ooit gebruiken en op 3 verdwaalde zielen na zal ook niemand er naar kijken. Waardevolle uren van mijn leven verspil ik aan een prul. Wie appelen vaart, die appelen eet. Zo’n soort logica zal er wel achter zitten.
 
Vol goede moed begon ik met ‘Twee keer’. Ik weet niet wat er twee keer moet. Vandaag zou nog wel een tweede keer mogen. De tweede keer maakte ik dan leuker. Minder gejaagd. Dan ging ik niet naar mijn werk om een saaie en humorloze vergadering uit te zitten, maar dan ging ik naar… Ja, waar ging ik dan heen? Als het buiten mist, hangen er ook nevels in mijn hoofd. Droevige flarden. Tijd om maar eens iemand te bellen. Misschien neemt er iemand op. En anders probeer ik het nog wel een keer…

Pagina 2 van 3123