Tol
Mijn hoofd is moe. Een week lang heeft de motor op volle toeren gedraaid. Geen moment van de dag was er rust, steeds flitsten er fijne gedachten door m’n hoofd, liep ik te fluiten, zei ik enthousiast gedag tegen iedereen op straat. Maar nu dreig ik door te draaien. Mijn hoofd is een dolle tol. Een bromtol eigenlijk. Nu draait de boel zo hard, dat het geluid begint te maken.
Als ik naar het brommen van mijn hoofd luister en probeer te begrijpen wat het eigenlijk betekent, dan hoor ik woorden. Er zit een stemmetje in me, een tikkeltje boosaardig, dat me nare dingen in probeert te fluisteren. Het is niet letterlijk zo, maar zo voelt het wel. Nu, moe en versleten, zijn de leden van het ‘cordon sanitair’ die het stemmetje normaal op de achtergrond houden even afgeleid. De woorden dringen tot me door en maken me mismoedig.
Het is tijd dat ik ga slapen. Ik heb plannen voor morgen. Ik moet uitgerust zijn en blij. Ik wil uitgerust zijn en blij. Morgen ben ik uitgerust en blij!
Zoet en rose
Utrecht. Mijn gedachten vallen stil. Alleen al door het te typen komen er een heleboel fijne herinneringen boven. Mijn vingers worden stroef als ik probeer die beelden in een netje van woorden en leestekens te vangen. Misschien moet ik het maar niet proberen.
Vanavond was zo’n avond die ik niet licht meer vergeten zal. Fijne dingen gebeuren zomaar, als je ze niet verwacht. In de trein terug naar huis heb ik nog gezellig met een mevrouw zitten kletsen. Met veel moeite bedwong ik m’n behoefte om honderduit te vertellen over al het fijns van een enkele dag. Ik heb chocola met haar gedeeld. Met hazelnoten. Eerst lachte ze een beetje beschaamd. Alsof het eigenlijk niet mocht, zo’n stukje chocola aannemen. Maar over het volgende stukje deed ze al niet meer moeilijk.
Top
Een knalgeel t-shirt had hij aan, mijn Leitmotif. Denk dan niet aan kanariegeel of het geel van de zon. Nee, fluorescerend geel. Wat de man bezielde is me een raadsel (en waarom heeft niemand hem tegengehouden toen hij dat monsterlijke stuk textiel kocht?), maar voor één dag was hij mijn rode draad.
Tussen twee ontmoetingen met de man in ‘t geel door heb ik weinig bijzonders gedaan. Of dat wil zeggen: op het oog. Ik heb een omelet gegeten en een paar pilsjes gedronken, wat rondgebanjerd en mokkaijs gegeten. Ik heb in het zonnetje gezeten en naar kleine eendjes zitten kijken. Het is het kleine geluk dat niemand op zou zijn gevallen, had ik het niet met iemand gedeeld. Op zulke dagen word ik gedwongen aan mezelf te twijfelen: is het wel enkel de zon die me zo doet stalen? Glimlach ik alleen bij de aanblik van voorjaarsschaduwen en groen lenteblad?
Voor mij is het leven een grote dans: dan eens snel en energiek, dan melancholiek en ingetogen en bij uitzondering zwoel en passievol. Sommige dansen kun je alleen doen. Ik ken mensen die line-dancen. Het is vast heel leuk en misschien zelfs nog wel aangenaam om naar te kijken, maar het is niet de dans die ik wil dansen. Nee. Kom lief, laten we dansen…
Heerlijk leven
Ik heb echt zo’n heerlijke avond gehad. Het is pas negen uur, maar het was echt super! Het eerste uur van de avond heb ik buiten op het balkon in het zonnetje gelegen. Van mijn moeder kreeg ik een tuinstoel waarin je lekker onderuit kunt zitten. Super! Toen het wat kil werd buiten, vond ik een heerlijk zacht plekje op de bank. Daarvandaan heb ik gekeken hoe het buiten langzaam aan donker werd. Er was iets met het licht vanavond. Het riep heel veel fijne herinneringen op.
Een file en een rouwstoet
Om half vijf vanmiddag stapte ik in de auto. Een hele dag cursus gaat je niet in de koude kleren zitten. Ik was moe en een beetje korzelig. Vijf minuten later zat ik op de snelweg. File. Het stroopt vaak op de A16 rond die tijd. Op de radio werden de fileberichten voorgelezen. Geen berichten over de A16. Mijn file werd weer eens niet genoemd.
Om tien over half 5 moet ik ergens in de buurt van de oprit naar de A15 geweest zijn. In je leven kruis je het pad van vele mensen. Sommigen ontmoet je en zie je daarna nooit weer. Anderen blijven langer in je leven. Een paar kilometer bij me vandaan verdween op dat ene moment iemand uit mijn leven. Goed kende ik hem niet, maar zijn vingers hebben hun bescheiden afdruk op mijn handen meer dan eens achtergelaten en van de keren dat ik hem gesproken heb, leerde ik hem kennen als een charmeur.
Sinds een maand had hij een motor. Of dat is me in elk geval verteld. Vaag herinner ik me dat hij me eens verteldemet een motorrijbewijs bezig te zijn. Vanmiddag zal hij wel een plezierritje gemaakt hebben. Of misschien gebruikte hij z’n motor om sneller van het werk weer thuis te komen. Misschien gaf hij, enthousiast door het mooie weer en het idee z’n vriendin weer snel te zien, net wat meer gas dan nodig. Ik stel me voor hoe de paarden die zijn benen omklemmen trappelen en hem met kracht de afrit van de snelweg op joegen.
22 en dood. Dat is raar. Het is niet aan mij om te weeklagen of boos te zijn. Maar het is bizar. Een jongen die ik zo vaak de hand drukte, wiens portret ik me moeiteloos voor de geest kan halen, zomaar dood. Over een paar maanden zal ik hem vergeten zijn. Dan is zijn dood in niets wezenlijk anders dan wanneer hij verhuisd zou zijn. Ik hoop dat z’n leven zin gehad heeft…