Joseph en Ella

“Het was vandaag een goede dag, Ella. Vanochtend ben ik al vroeg opgestaan: ik werd wakker van de merel in onze prunus. Ze zong zo hartstochtelijk. Even voor het ontwaken hoorde ik haar al. Haar liefdeslied mengde zich met mijn dromen. Ik werd wakker met een verliefd gevoel en ben met die warmte in mijn lijf maar uit de veren gegaan.

Omdat het zaterdag is, heb ik bij het ontbijt een eitje voor mezelf gekookt. Het eigeel een beetje zacht, maar het wit nog stevig. Een eitje zoals jij het graag zou hebben gegeten. Het toast was een beetje donker aan een kant. Jouw roostertalent heb ik nooit kunnen evenaren.

Op de markt scheen de zon. Toen ik langs de kaaskraam liep, betrapte ik mezelf erop zacht het lied van de merel nog te fluiten. Zo intens vrolijk en liefdevol. Ook als de zon vandaag niet zo hartelijk en intens was geweest, had ik mezelf warm en bemind gevoeld. Koos, de bakker uit het Zuiden, begroette me met een joviaal opgestoken hand. Het is geen man van veel woorden, maar hij raakt me wel. We zijn vrienden zonder elkaar ooit te hebben gesproken. Zo voelt het.

In het park heb ik wat koffie gedronken. Onze thermosfles is niet meer zo goed als vroeger. Hij lekt wat en houdt de koffie niet meer zo goed warm. Maar ik drink er graag uit. Elk kopje uit die fles smaakt naar het stadspark in Parijs waar we hem samen mee naar toe namen. Ik herinner me die middagen nog als de dag van gisteren. Het kleedje heb ik nooit weggegooid. Je vond hem zo mooi, mijn lieve Ella. Ik kijk nog vaak naar het kleed. Het ligt op de plank onder mijn hemden. Voor mijn gevoel is de paarse ruit wat vaal geworden. In mijn herinnering was hij feller, heftiger. Maar het is ook al zo lang geleden en mijn geheugen is niet meer wat het vroeger was.

Het kost me soms moeite je gezicht voor de geest te halen. Dan zie ik nog wel je zachte mond en lieve ogen, maar weet ik niet meer hoe je neus daar tussenin stond. Je foto biedt me dan wat houvast. Je weet wel, die op het dressoir. Ik spreek mezelf dan ferm toe om te voorkomen dat mijn blik vertroebelt en ik mijn zakdoek tevoorschijn moet halen.

Piet kwam me rond 3 uur gezelschap houden. Ik heb hem een kopje koffie gegeven en hij deelde wat van de boterkoek die z’n lieve Janna voor hem had gebakken. Ze zijn nog zo gelukkig samen. Volgend jaar zijn ze vijftig jaar getrouwd. Een onvoorstelbaar lange tijd. Piet sprak vandaag over de plannen die zijn twee zoons hebben voor het feest. Ik heb geprobeerd niet jaloers te klinken en blij voor hem te zijn.

Het was echt een goede dag, Ella. We hebben in het park nog een paar potjes gedamd. Ik heb zowaar zelfs twee keer gewonnen. Piet zat met zijn gedachten ergens anders, denk ik. Hij vertelde me dat het met zijn oudste kleindochter niet zo goed gaat. Ze schijnt kanker te hebben. Ze heeft lang gewacht met kinderen en heeft daarmee misschien haar kansen verspeeld, zeggen de dokters.

Voor het avondeten heb ik macaroni gemaakt. Ik gebruik jouw recept nog steeds. Jouw portie heb ik ingevoren voor een andere keer. Gek he, ik zou zo gemakkelijk alle hoeveelheden kunnen halveren, maar ik doe het nooit. Die ingevoren portie vergeet ik meestal, tot het vol ijs zit en helemaal stukgevroren is. Ik eet het dan toch maar op. Zo zonde anders.

Vanavond was er zo’n talentenshow op de televisie. Een van de meisjes deed me aan jou denken. Je kon zo mooi zingen. Ik had zo graag gezien hoe je onze kinderen in slaap had gezongen. Maar het liep anders en dat was ook goed. We hebben mooie reizen gemaakt samen, veel mensen ontmoet, jonge mensen ook. Anna spreek ik nog weleens. Ze woont nu in Amerika en doet iets met kinderen. Een lieve vrouw. Ze is een vrouw nu.

Ik ga zo slapen, lieve Ella. Voor ik zo inslaap, zal ik in gedachten je zachte haren nog strelen. Ik haal me vaak voor de geest hoe het was om tegen je aan te kruipen. Je had het in bed altijd zo koud. Achteraf gezien heb ik er toen misschien niet genoeg van genoten. Het was toen zo gewoon.

Het was een mooie dag. Maar ik heb je wel gemist. Niet zoveel als op andere dagen. Na al die jaren is dat gevoel natuurlijk wel wat weggesleten. Ik heb vaak mooie dagen waarop ik geniet van kleine dingen en niet in gemijmer blijf hangen. Vandaag ook. Kon je nog maar eens naast me liggen. Wat zou ik dan genieten om je tegen me aan te voelen, om je warm te houden. Misschien hierna, ooit.

Morgen zondag, een stille dag. Ik heb de krant vandaag bewust niet helemaal uitgelezen, zodat er voor morgen nog wat over is. Je zou trots op me zijn als je zag hoe goed ik tegenwoordig in cryptogrammen ben. Ik heb jouw kronkel overgenomen.

Ik hoop dat je nog weleens aan me denkt, daarboven. Soms voel ik me zo alleen en verlaten. Dan vraag ik me af of je er nog wel bent. Dat soort gedachten probeer ik zo snel mogelijk weer uit mijn hoofd te krijgen. Ze maken me heel bang en verdrietig. En natuurlijk denk je nog aan me. Onze liefde is niet stuk te krijgen. Toch? Slaap lekker, lieve Ella. Tot morgen.”

Alleen in het woud

“Lange masten van met groen leven bedekte cellulose: ze voelen eerder als zijn ouders dan zijn vrienden. Vanuit hun kruinen klinkt geritsel en als de wind een boze bui heeft soms ook gekraak en geloei. Veel van het leven in dit woud negeert de bomen, gebruikt ze voor hun eigen kleine doelen: om kriebels uit hun pels te schuren, als schuilplaats voor bange dagen of als een smakelijke slijpsteen voor het gebit. Maar voor hem zijn het ankers, bakens die hem een gerust gevoel geven. Ze zijn niet zacht of spraakzaam, niet aanrakerig of vaderlijk, maar hun stille, rustige zijn geeft meer vertrouwen en richting dan al het vluchtige om hen heen.

Veel van de dieren in het woud leven in groepen van enkelen, soms ook tallozen. Ze kiezen er dan voor een leider in hun groep aan te wijzen en vormen dan een rangorde, zodat ieder zijn plaats kent. Die orde is volslagen arbitrair en vaak ook niet te begrijpen voor de lagere individuen in het systeem, maar hij heeft zijn functie. Of althans, dat is de geldende opvatting onder de sociale kruipers, sluipers, klimmers en gevleugelden. Voor hem is dat allemaal anders.

Omdat hij alleen in het woud is, hoeft hij zich om orde niet te bekommeren. Hij is groot genoeg om zich geen zorgen te hoeven maken over de andere bewoners van het woud. Dat lijkt in eerste instantie een hele luxe positie, maar de nadelen ervan kent hij beter dan hem lief is. Alleen zijn laat veel ruimte voor gedachten, voor vrees en angst, voor vragen ook vooral. Hij weet dat zijn leven niet zal eindigen in de bek van een wild dier en dat hij wijs en slim genoeg is om elke dag voldoende eten te vinden. Maar hoe zeker zo’n bestaan ook lijkt, zeker is het allerminst.

Zekerheid is een goede voedingsbodem voor twijfels. Twijfels over vragen die de dagelijkse zorgen overstijgen. Dit leven is goed. Misschien niet perfect, maar zeker niet slecht. Maar wat gebeurt er na dit leven? Als sterven geen wreed offer aan andermans lege maag is, wat is het dan wel? Is het een absoluut einde, is het een nieuw begin? En fouten ooit gemaakt, levens die ik genomen heb, zondes die ik heb begaan, vruchten van mijn schuldgevoel: worden mijn schulden vereffend of teruggevorderd? Als dood gaan geen gemakkelijk te begrijpen doel dient, als er niets mee gevoed wordt, pas dan wordt het echt iets dreigends, want het is het onbekende dat het meest gevreesd wordt.

En daarom zijn de woudreuzen zijn vrienden. Van alle leven tonen alleen zij zelfvertrouwen; lijken zij onoverwinnelijk en onaantastbaar. Want aan hun bast glinstert geen angstzweet, door hun kruinen schijnen geen zorgen. Als ze angst hadden, hebben ze die duidelijk overwonnen. Ze zijn fier en trotst, staan vastgeworteld en aanvaarden hun lot volledig. En dat is een goed voorbeeld. Want ook zij hebben geen vijanden, ook zij hoeven zich over dagelijks voedsel geen zorgen te maken. En desondanks, ondanks alle zorgen waarvan hij weet dat zo’n uitzondelijke positie die met zich meebrengt, toch lijken ze niet bezorgd.

Ze zijn zijn voorbeeld. Aan hen ontleent hij zijn mores: neem niet meer dan je nodig hebt, geef rijkelijk aan minder bedeelden, bied onderdak aan zwakkeren en voedsel aan de hongerigen. Naar hun voorbeeld leeft hij en hij voelt zich er zekerder door. De oude wijsheid van die knoestige heren geeft hem het vertrouwen dat in al wat de dood is, geen kwaad schuilt. Dat gewetensvol leven rust geeft. De bomen zijn niet zijn vrienden, want ze spreken nooit met hem, maar zijn wel de wijze ouders die hem het leven zijn waarde geven.”

Tegenval

“Het plexiglas sputtert hoorbaar tegen. Eigenlijk zou de geleiderail wel een beetje vet kunnen gebruiken. Met wat extra kracht aan de onderkant van het wit plastic handvat geeft de schuifdeur eindelijk mee en ontstaat er een opening groot genoeg voor Paul om de douche te betreden. Op zijn lichaam zijn al kleine waterdruppeltjes te zien. Nog toen hij buiten de cabine stond had het water hem al bereikt. De douche heeft door het lange leidingwerk bijna twee volle minuten nodig om op temperatuur te komen. Door de smalle opening was er in die tijd al wat water ontsnapt, ongetwijfeld aangetrokken door Paul’s onvergelijkbare fysiek. Water heeft ook zo zijn voorkeur.

Een voorkeur overigens die Paul zelf niet goed kon begrijpen. Het aangenaam warme water loopt inmiddels in flauwe straaltjes van zijn schouders af en golft langs de contouren van zijn vlezige aanwezigheid. Zijn rechteroog heeft minder moeite dan het andere om het water in zijn val te volgen. Komend vanaf zijn borst ziet hij het water aan snelheid winnen om vervolgens door het vettige obstakel dat zich de afgelopen jaren op zijn buikspieren had gevormd weer te worden afgeremd. Misnoegend neemt hij wat van het witte vlees tussen de duim en wijsvinger van zijn rechter hand. Het valt hem op dat de massa tussen zijn vingers wat kouder is dan zijn handen. Zeker zo’n 12 centimeter dik is het buikspek in zijn greep.

Ongehinderd door enige overpeinzing van Paul’s zijde kriebelt het water vrolijk verder naar beneden. In een poging zo min mogelijk snelheidsverlies te lijden van de witte vleesheuvel kronkelt het douchewater voorzichtig links en rechts langs de massa. Als gevolg daarvan blijft Paul’s navel bijna volledig droog. Paul steekt zijn inmiddels behoorlijk nat geworden rechter vinger demonstratief in het gat; nu is ook dat nat.

Paul’s blik volgt het glijdende water. Van waar hij weet dat zijn lies zich bevindt – zien kan hij die streek al een paar jaar niet meer – meandert het water zijn bovenbeen op. Een van de stralen splitst zich zowaar op in wel vier verschillende stroompjes. Het is niet duidelijk wat het water doet besluiten zich te splitsen; hoe het kiest zich daar te splitsen waar het zich spitst. Plagerig prikt hij met een vinger midden in de waterstraal. Macht!

Het bestaan van Paul is al jaren niet zo spannend meer. Paul is geen domme man. Hij kent zichzelf goed. Het gevoel van macht, hoe klein ook, dat het omleiden van zo’n onbeduidend waterstroompje hem geeft valt hem al snel op. Treurig voelt hij zich erbij. Dat een man – een belofte! – als hij nu toch zijn machtsgevoel moet putten uit kinderspel onder de douche.

Door gewoonte gedreven grijpt Paul naar de douchegel. Hij klikt het dekseltje open, bezeert daarbij een nagel, vult een hand met grauwblauwe douchegel en plaatst de fles terug in het rek. Te laat realiseert hij zich dat hij – alweer! – is vergeten de fles te sluiten. Met een onhandig gebaar sluit hij eenklaps de fles en morst hij een groot deel van de douchegel uit zijn hand op de vloer. Een deel ervan is op zijn rechter voet terechtgekomen. Hij probeert het goedje van zijn voet op zijn linker kuit te wrijven. Hij is een zuinig mens.

Het ritueel van inwrijven stoort hem. Terwijl hij met zijn handen langs de onnatuurlijke vormen van zijn kolos glijdt, vervullen hem gevoelens van walging en teleurstelling. Het vlees onder zijn handen getuigt van zijn karakterfouten. Een zoetekauw zonder ruggengraat, dat is wat hij voelt. Een lichaam zonder beweegdrift. Haastig maakt hij zijn ritueel af en grijpt naar de douchekop. De douchekop komt makkelijk uit de houder van de wandrail, maar laat het niet na een plagerige waterstraal in Paul’s linkeroog te doen belanden. Verdomme! Toch al niet zijn beste oog.

Bijna volledig op de automatische piloot spoelt Paul het sop van zijn grote frustratie. Herinneringen spelen zich af voor zijn goede oog. Verwachtingen uit zijn jeugd. Beelden van de man die hij zou worden. Het sop hoopt zich op bij het afvoerputje en laat zich er langzaam in zuigen. Ongeduldig hangt Paul de douchekop terug en rukt hij aan de deur. Het plexiglas is nog even ongenaakbaar. Als ver onweer dondert het paneel van de deur terwijl het open schuift. Met de handdoek die op zijn vaste plek gehangen zich makkelijk laat grijpen veegt Paul zijn lei weer schoon. Snel kleedt hij zich weer aan en hij vermijdt daarbij de spiegel zorgvuldig.”

Bevlogen

"Gek genoeg stonden er vier mensen voor hem te wachten. Het bordje boven de kassa gaf aan dat er bij drie wachtenden een nieuwe kassa zou worden geopend. Allemaal marketing. Hij vermoedde dat er waarschijnlijk weinig oprechtheid achter dat bordje schuil ging. Bijna elke grote supermarktketen had tegenwoordig van die bordjes. Zonder zo’n bordje hoor je er als franchisenemer gewoon niet bij. Waarschijnlijk weet de filiaalmanager niet eens wat er op het bord staat. "Zijn die borden al binnen? Mooi, hang ze maar meteen boven de kassa." Ooit had hij in de rij van een supermarkt gestaan waar de bordjes boven de kassa een loeier van een spelfout bevatten. Of althans, het was hem opgevallen. Maar hij was dan ook nogal gevoelig voor dat soort missers. Waarschijnlijk was verder niemand opgevallen dat "geopent" doorgaans niet met een T wordt gespeld.
 
Een half uurtje geleden zat hij nog in de bioscoopzaal. Nog niet eens zo heel lang terug ging hij wekelijks naar de film. Vanmiddag was de eerste keer in een paar weken tijd dat hij het licht van de projector weer boven zijn stekelige kruin langs had voelen schijnen. Het was wel een aardige film. De thematiek was nogal pompeus, bijna grotesk. Over kleine helden, grote daden. De mensheid redden en daarvoor zelf grote offers brengen. Zulk soort onwaarschijnlijkheden. En toch had de film indruk gemaakt.
 
Films geven je een gevoel van nietigheid. Dat komt voor een deel gewoon door het verschil in afmetingen. De mannen op het scherm zíjn gewoonweg veel groter. De projector rekt hun onderkaak uit totdat hij bijna de afmetingen van een klein huis krijgt. En hun ego’s worden dito uitvergroot. Niet door de projector, maar door de regisseur. Uit Hollywood komen weinig subtiele karakters, enkel persoonlijkheden met veel room een dikke korst en veel zoete vruchtjes. Daar steek je dan vanzelf wat klein bij af.
 
Nu was de vrouw voor hem aan de beurt. Aan haar was niets groot. Zo’n vrouw die niemand opvalt, behalve als ze er echt haar best voor doet, bijvoorbeeld door de kassarij op te houden. Ze hing een moeilijk verhaal op bij de caissière. Kennelijk voelde ze zich in haar rechten aangetast. Ze had recht op meer zegeltjes! Maar ze slaagde er niet in haar doelen te bereiken. Een zwakke persoonlijkheid zonder de gêneloosheid van een held.
 
De hoofdpersoon, uiteraard een man, had gevochten. Zijn ongezond donkerbruine gelaat vertoonde medogenloos harde trekken. In één bepaald gevecht had hij met een enkele, bijna achteloze armzwaai drie slechte vrouwen in het gras gemikt. Ze worden vaak onderschat, maar vrouwen zijn heus geen lieverdjes! Na zijn heldendaad dook de onderkaak direct met een van de drie dames de koffer in. De twee leukste had hij in het gras gelaten. Helden zijn vaak niet zo slim.
 
Met meer schwung dan normaal trok hij z’n pinpas door de gleuf. Het apparaat wankelde en moest door het vriendelijke kassameisje in bedwang gehouden worden. Vier overgedimensioneerde vingerbewegingen lieten de knopjes van het klavier ratelen. Met in het achterhoofd hoorngeschal en roffelende pauken liet hij van grote hoogte zijn wijsvinger op de OK knop landen. Achter hem was het stil. Ook het kassafront zweeg. Zichtbaar verbaasd en met een blik van modern afkeuren overhandigde ze hem de bon en zijn zegels. Het is vooral aan slimme camerastandpunten te danken dat helden er in films zo normaal uit zien."

Een ontmoeting

"Een middag vroeg in het voorjaar. Op een bank van doorleefde planken en verweerd beton zit een man. Zijn linker arm ligt nonchalant op de leuning, het hoofd staat zwaar op zijn nek. Turen en staren, dat deed hij het afgelopen kwartier. Bijna aan een stuk. De wetenschap heeft grote moeite de ledigheid van ons onmetelijk heelal te verklaren. Voor de leegte die deze man voelt zijn geen woorden. Mensen zijn van nature veerkrachtig. Er kan hen veel ontnomen worden voordat ze de rek verliezen en verschrompelen als een herstblad op een bergje zilverzand. Ze had een gat geslagen in zijn verdediging, een bres in zijn levenslust.
 
Op andere dagen had het kwieke lentezonnetje hem in een staat van euforie gehouden, nu verwarmde het enkel zijn gerimpelde voorhoofd. Mannen zijn niet erg flexibel. Ze hebben jaren nodig om te wennen aan het idee van een gezin, dan nog jaren om zich daarvan het hoofd te maken. Deze man had zich laten meevoeren op het bedrieglijke kabbelen van de liefde en zich langzaam maar zeker afhankelijk gemaakt van een nieuwe toekomst als vader.
 
Een erg warme vrouw was ze nooit geweest. In hun vroege jaren stond hem dat vaak tegen, maar geleidelijk aan was hij milder geworden. En zij ook wel wat warmer. Ze had zich als het ware laten opwarmen door de levenslust die altijd in zijn ogen gloeide.
 
Deze ochtend nog zaten ze aan tafel. Niet op alle dagen, maar wel op deze voelde hij een prikkelende verliefdheid terwijl hij in haar ogen tuurde. Toen hij even was opgestaan om koffie te pakken en zijn linker hand bij het passeren terloops langs haar linker borst had laten glijden, was ze bevroren. Eensklaps! Na eeuwen van stilte volgde een tirade die hij slechts een keer eerder van haar had meegemaakt. Ze had onbegrijpelijke woorden gesproken, onvermoede frustraties geuit en een knoop doorgehakt.
 
Veel bezittingen bleken ze in die jaren niet gedeeld te hebben. Of zo leek het in elk geval als je moest afgaan op de grootte van de doos onder haar arm. Goed genoeg kende hij haar om te weten dat dit geen bevlieging was. Bedenken zou ze zich nimmer meer. Bovendien had ze een ander. Geen man of vrouw. Geen minnaar, wel een passie. Een passie die geen ruimte liet voor minder stoffelijke liefde.
 
Een vrouw kwam aangelopen. Van links. Ze passeerde hem en het bankje op niet meer dan een paar meter. Keurend gleedt haar blik over zijn schouders, borst en taille. Sterk, breed, een verborgen zwakte. Het subtiele ritenuto van haar gang was merkbaar voor wie het zien wilde. De wind speelde met haar rokje en een achteloze handbeweging effende haar haar. Leegte slokt alles op. De vrouw liep voorbij. Hij had niet opgezien."

Pagina 1 van 212