Botsing
We liggen op bed met een grote bak ijs. Comfort food want vandaag weer eens een stressvolle middag. Zoals Michiel al zijn kant van het verhaal beschreef hier nog even mijn ervaring.
Na een heerlijke lunch op weg naar huis, bergje omhoog om op de hoofdweg te draaien. Terwijl Michiel naar links kijkt zie ik rechts een motor op ons afkomen. Ik roep ‘let op’ en Michiel kijkt om, in slow motion komt de motor steeds dichterbij. Te weinig tijd om nog vooruit te rijden. De bestuurder remt, slipt en schuift ons de laatste halve meter over het asfalt tegemoet. Ik spring half van de brommer af als deze ons raakt.
Binnen een halve seconde staan Michiel en ik weer op de been om ons over de Thai te buigen. Everything okay? We schuiven de motor en brommer aan de kant. Onze brommer reed niet dus ik was al bang dat hij stuk was maar Michiel hield een koel hoofd en haalde hem uit de versnelling. Mijn poging om de brommer te verschuiven gingen nu erg makkelijk en prompt duwde ik de brommer tegen de Thai aan die voor onze brommer was gaan staan en begon te kermen. Oepsiefloepsie.
Uit eerdere verhalen weten we dat je mensen hier blijkbaar goed af kunt kopen. Michiel probeerde het met een bod van 50 euro maar dat werd afgeslagen want ‘You were wrong’. Ik vraag Michiel of ik weg moet gaan, al het bewijsmateriaal meenemende en minder gedoe. Terwijl hij de man naar de 20 meter verder gelegen kliniek helpt probeer ik de brommer. De spiegel hangt scheef maar hij start.
Michiel komt nog naar buiten en ik zeg dat ik naar huis ga. Onderweg durf ik niet harder dan 20 en ben ik bang achtervolgd te worden. We horen zoveel verhalen over maffia op dit eiland. Thuisgekomen zet ik de brommer ‘boven’ neer zodat hij vanaf de weg niet gezien kan worden en ga naar binnen. Ik tril en maak me zorgen. Hoe gaat het met mijn lief? Heen en weer lopen, naar buiten en naar binnen gaan. Geen seconde rust in mijn hoofd. Een koude douche lucht wat op en ik neem me voor niet het ergste te denken en te wachten. In mijn hoofd komen beelden van Thaise gevangenissen naar boven, advocaten, rechtzaken en andere rampscenario’s. Kan ik misschien nog iemand bellen om te helpen? Michiel zei dat hij het zou afhandelen en ik wil hem niet in de weg zitten. Hij weet wat’ie doet.
Na 1,5 uur (viel nog mee al ben ik een bonk stress) wordt er op de deur geklopt. Hoopvol vraag ik ‘Michiel’ en kan ik hem in de armen vallen. Uiteindelijk viel het allemaal mee en zijn we met name geschrokken. Even knuffelen op bed en een bak ijs helpen daar wel bij.
Grenzelaos gelaoterd
Grr! Dat had zo’n leuke dag moeten worden, dachten we. Gisteravond genoten we een bescheiden maaltijd als afscheid van dit verrukkelijke land. We stonden er eigenlijk amper bij stil dat ons afscheid misschien best wat grootser had gemogen. In dit soort gevallen is er gelukkig altijd kosmische pech die maakt dat je gewoonweg de grens met Laos niet over komt en je het afscheidsmaal nog eens dunnetjes over kunt doen.
Een kilometer of 90 vanaf Dong Ha troffen we, gezeten op onze stalen rossen, de grensovergang met Laos. We hadden onszelf goed laten informeren en begrepen dat de grens met een motorfiets over te steken valt, maar dat je dan per fiets 25 dollar zou moeten betalen. De Vietnamese douaniers waarschuwden ons echter al dat we waarschijnlijk van een koude kermis thuis zouden komen. Eenmaal onder de indrukwekkende poort van Vietnam door gelopen en aangekomen bij de wat minder opzienbarende toegangsboog naar Laos, werden we in het Laotiaans terechtgewezen. Motorfietsen mochten niet mee, maar om 1 uur ‘s middags zou er een bus naar Savannaket vertrekken. Wat!?
Na wat zoeken vonden we iemand die Engels sprak en ons wist te vertellen dat er de afgelopen maand niemand bij Lao Bao de grens over was gekomen zonder zijn motorfiets achter te laten. Wat vreemd? Een belletje gepleegd naar onze vrienden in Saigon. Die raadpleegden hun connecties bij de Vietnamese overheid en konden alleen maar delen in ons ongeloof. Er zou geen enkele reden moeten zijn waarom we de grens niet over zouden mogen. Vandaag nog hadden ze mensen ontmoeten die, duidelijk gestigmatiseerd door de Laotiaanse sticker op hun snorapparaten, vorige maand bij Lao Bao de grens over gekomen waren. Een conclusie rest dus: hufters aan de grens! We zijn genadeloos genaaid, waarschijnlijk alleen maar omdat de vrouw van de hoofdgrensbewaker met de verkeerde bromsnor is vreemdgegaan. Ergerlijk en zonde van 180km benzine en levensvreugd.
Ernstig gedesillusioneerd over al deze ongein zijn we dus terug gegaan naar Dong Ha met het voornemen de fietsen dan maar hier te verkopen. Het hotel waar we vanochtend uitcheckten wilde ons gelukkig nog terugnemen. Onze fietsen zijn echter minder gelukkig: we vonden iemand die de fietsen voor de fooi van 4.5 miljoen dong wilde kopen (ter vergelijking: eerder betaalden wij er 17 miljoen voor).
Morgen is Judica jarig en we hadden gehoopt daar een leuk Lao feestje van te kunnen maken. In plaats daarvan gaan we maar op de fiets naar Hué, in de hoop onze fietsen daar voor een betere prijs te kunnen slijten. Bijkomende complicatie: 30 april en 1 mei zijn nationale feestdagen en veel hotels (zo niet alle) zijn rond die dagen volgeboekt. Hopen op een dak dus. Wat een ellende… (maar de zon schijnt!)
Where no man has gone before
Er hangt hier een zweem van inspanningsvocht. De jongens naast ons zijn hard bezig hun persoonlijke highscores te verbeteren en dat ruik je. We zitten in een Internetcafe in Dak Glei, ergens halverwege de middle of nowhere en de beschaafde wereld. Judica noemt het ‘The Valley of Beauty’. Het is hier echt prachtig.
Het eerste deel van onze route van Pleiku naar Dak Glei was snelweg, snelweg, snelweg. Een tamelijk drukke route en niet echt heel mooi. Ons oorspronkelijke doel was om naar Plei Can te rijden, maar we hadden de wind goed mee en kwamen daar al voor de lunch aan. Wel even een lekker broodje gesnackt, maar daarna toch nog maar even het gas erop. En dat werd beloond!
Vanaf Plei Can werd de weg steeds mooier. We waren in een heuvellandschap beland en waanden ons ’ The King of the Road’. Niemand te bekennen en prachtige wegen. Veel bochten en na elke wending weer een nieuwe verrassing. Soms werd ons de adem benomen door een nieuw uitzicht op de vallei, andere keren stonden we opeens oog in oog met een authentiek (nee echt!) dorpshuis, compleet met rieten puntdak en op palen.
Hier in Dak Glei is het leven echt anders, zo anders hebben we het nog niet meegemaakt. Het is hier rustig, de mensen zijn… anders. Eigenlijk is het net alsof we in Bulgarije zijn aangekomen. Bergen, rivieren en relaxte mensen.
Onderweg hebben we nog wat belangrijke knopen doorgehakt. Oorsponkelijk was het plan om via de Ho Chi Minh route direct door te rijden naar Hue, maar na bijna een week op de weg zijn we toch eigenlijk wel aan een pauze toe. En wat wil het ‘toeval’: Hoi An ligt op een dag reizen hiervandaan.
Natuurlijk zijn we in Hoi An al lang geweest, hebben we er niets nieuws te verwachten en zijn de stranden bekend terrein. Prachtig, precies wat we nodig hebben! Als de wegen meezitten liggen we morgenmiddag weer lekker in het zwembad. De dag daarop vullen we dan in met fruitshakes, pootje baden en een paar bezoekjes aan bekende adressen. Direct ook een goed moment om onze was te laten doen. Sommige kledingstukken zijn namelijk als zodanig niet meer herkenbaar en kunnen best een opfrisbeurt gebruiken.
Na Hoi An gaan we dan verder richting de DMZ, het gebied waar in de Amerikaanse oorlog het heftigst is gevochten. In die streek bieden motorrijders tours aan; misschien wil er eentje ons wel op sleeptouw nemen. En daarna… het ruime sop van Laos in, hopelijk met onze motors en net als nu zonder touristen.
Slippertjes
Goed geschoeid berijden wij onze Koreaanse vrienden. Dat geld niet voor iedereen. Een van de vele dingen die onderweg op de Ho Chi Minh snelweg opvielen waren de slippertjes. Regelmatig kwamen we slippers tegen, eenzaam en alleen op het asfalt. Een enkele keer vonden we eerst het linker exemplaar, om dan een paar kilometer later te moeten uitwijken voor zijn wederhelft. In tegenstelling tot ons Nederlanders, die stevig aan de voeten verankerde Teva sandalen dragen (och, wat een lelijke dingen), bestijgen Vietnamezen steevast hun heilige koe op flip-flops. Dat is eigenlijk een beetje dom.
Overigens waren dat niet de enige slippertjes vandaag. Hele stukken van de Ho Chi Minh snelweg zijn keurig geasfalteerd, niet breed, maar wel vlak. Op een paar plaatsen wordt echter al hard gewerkt aan de geplande verbreding van 2 naar 4 banen. Op die plaatsen, vooral bij grotere steden, is het asfalt weggehaald in voorbereiding op de geplande herbestrating. Met dit weer en gezien de aard van de ondergrond betekent dat twee dingen: slippertjes en rode gezichten. Niet rood van de zon, maar gewoon van alle opwaaiende aarde.
Toen we eind van de middag, na een prachtige tocht met een paar aangename onderbrekingen (waaronder een genoeglijk vertoeven in de hangmat), in provinciehoofdstad Gia Nghia aankwamen, zaten we dan ook volledig onder het rode stof. Mijn witte shirt was een roodgestreepte zebratrui geworden en onze gezichten hadden meer kleur dan op grond van alleen de zon te verklaren is. Ze zullen wel gedacht hebben, toen we hier het hotel binnen kwamen: uit welke klei zijn die getrokken?
We hebben onszelf grondig schoongeschrobt en de kleren in de week gelegd. Daarna ben ik op jacht gegaan naar broodnodige proteïnen. Die vond ik aan de overkant. In een eettentje trof ik een paar aardige mensen me op mijn gemimede eetwens bedienden met een eenvoudige maaltijd. Helaas was ook de plaatselijke dronkaard, ooit politieagent (zo leerde de foto in zijn portefeuille me) present. Hij was door mij geobsedeerd en bleef in het (dronkemans) Vietnamees tegen me praten. Steeds weer gaf hij me handjes en later zelfs handkussen. Merkwaardig. De eigenaar schoot gelukkig te hulp en diende mijn maaltijd op een andere tafel dan van de dronkaard op (inmiddels was ik namelijk aan diens tafel uitgenodig).
Even later verscheen ook mijn redding Judica ten tonele. Haar aanwezigheid maakte een einde aan de opdringerigheid van de blauwe man. De eigenaar en zijn vrouw, samen met de koters, vergezelden ons. We kletsten wat (als je ons handen– en voetenwerk zo mag noemen) en leerden en-passant tellen in het Vietnamees. De broer van de eigenaar, die later ook verscheen, had een opmerkelijke belangstelling voor Denemarken. Hij bleef het land op ons kleine Point-it kaartje aanwijzen. Ik weet nog altijd niet wat hij daarmee probeerde te zeggen. Een klein slippertje van het anders onfeilbare beeldwoordenboek. Evengoed een leuke avond. We zijn klaar voor de derde etappe.


